donderdag 27 augustus 2009

Een milde spijt

Ik neem mezelf voortdurend voor om eerlijk en openhartig te zijn. Vertrouwensbanden ontstaan immers pas als je iets met elkaar kunt delen en inzicht verschaft in wat jou eigenlijk écht bezig houdt. Maar over bepaalde dingen is het toch wat moeilijker om eerlijk over te zijn, juist omdat ze zo dichtbij jezelf staan en al helemaal als ze de ander ook betreffen.
Nu is de waarheid over iemand zelden alleen maar positief. En de keiharde eerlijke mening over iemand is niet iets waar mensen doorgaans goed tegen kunnen. Ik zou zo graag daarboven verheven willen zijn, maar ook ik kan de waarheid hoe andere mensen over mij denken niet perfect verdragen. Toen ik net in de KG van Cleo zat, was er veel kritiek op de keuze van mijn functie. Door de rare situatie in dat jaar, had ik mezelf immers tot hoofd tappers benoemd zonder dat een 'deskundige commissie' daarover haar oordeel had geveld. Die kritiek gonsde overal rond en op een goede avond vroeg ik iemand om zijn deskundige en volledig eerlijke mening. Ik zei er nog bij dat hij vooral eerlijk moest zijn, omdat ik er wel tegen zou kunnen. Ik had het verkeerd. Ik hoorde de dingen waarvan ik eigenlijk wel wist dat ze over mij gedacht werden, maar die ik toch minder goed trok als ze rechtstreeks tegen mij werden gezegd. Ik heb me er toch wel één, twee dagen kut over gevoeld en toen ben ik uiteindelijk toch door vrienden uit het dal gesleept. Ik weet dat ik inmiddels wel tegen de harde waarheid kan, maar toch sterft er iedere keer een klein stukje van je af, als je die tegenkomt.
Maar zelfs als de waarheid in algemeenheid positief is, durf ik hem niet goed uit te spreken. Het is altijd een kwestie van de juiste nuance weten te vinden. Een te overdadig prijzen richting een vriendin kan al snel als romantische interesse worden opgevat. Een te overdadig prijzen naar een romantische interesse kan iemand afschrikken. Ik neem mezelf vaak voor om hierdoor niet te laten weerhouden en te proberen, ondanks dat het moeilijk is, mensen de erkenning te geven die ze verdienen.
Juist als je een meisje begint leuk te vinden, is dat lastig. Ik wil namelijk openhartig en eerlijk zijn en geen gevoelens opbiechten waarvan ik later moet constateren dat ik ze helemaal niet had. En voor een door de wol geverfde scepticus als ik, is dat moeilijk te bereiken. Het gevolg is dat ik vaak toch het lef niet heb en helemaal niets zeg. Dan lijk ik een tikkeltje afstandelijk en onemotioneel, eigenlijk alle eigenschappen die typisch aan mannen gevonden worden, maar dat beeld, dat ben ik helemaal niet. Het is niet uit gevoelloosheid dat ik zwijg, maar uit angst van de consequenties van mijn handelen. Ik wil geen verwachtingen scheppen die ik niet kan waarmaken en ik weet niet wat ik kan waarmaken.
Maar zulke scepsis heeft ook zijn voordelen. Pakweg anderhalve maand geleden had ik met iemand afgesproken en was het reuzegezellig. Door vakantie-omstandigheden konden wij elkaar een tijd niet zien en bij het weerzien klikte het totaal niet. Achteraf gelukkig maar dat ik niet te veel verwachtingen geschapen heb. De enige spijt die ik erover kan hebben dat ik dit misschien eerder had moeten voorzien en er helemaal niet aan had moeten beginnen. Maar dat is gelukkig maar een milde spijt.

vrijdag 21 augustus 2009

Het kwaad bestaat niet

In de Middeleeuwse scholastieke traditie was God het centrum van al het bestaan. En omdat al het bestaan uit God voortkwam, was er ook niet zoiets als de duivel of andere bron van kwaad. Hoe kon immers het kwaad uit God voortspringen? Al het kwaad in de wereld was slechts de afwezigheid van het goede. Het slechte was altijd een gebrek. Een in en in slecht mens was eigenlijk nauwelijks meer mens te noemen en bestond dus nauwelijks.
Dit was dan ook gelijk de oplossing voor het aloude probleem dat drie centrale stellingen onverenigbaar zijn: God is almachtig, God is goed en er is kwaad in de wereld. Inmiddels is het volledige wereldbeeld veranderd, maar toch zijn sporen van een zelfde manier van denken her en der nog zichtbaar.
Ik heb de afgelopen weken een boek gelezen van een objectivistische/libertarische schrijver, waarin niet God, maar de ratio de centrale bron van het bestaan is. Alles wat bestaat, wordt geregeerd door ratio. Natuursverschijnselen, de mens zelf, inclusief zijn handelen hebben allemaal een logisch bron. Het is wel mogelijk irrationeel te handelen, maar alleen bij gratie van het rationele handelen van anderen. Irrationeel handelen is dus parasitair en slechts door rationeel handelen (dwz proberen de omgeving om je heen als een rationeel systeem te beschouwen, waarover je invloed kunt uitoefenen met behulp van je verstand) worden zaken geproduceerd. Wat is die irrationaliteit waar tegen gestreden wordt? Uiteindelijk niet veel meer dan de afwezigheid van de rede. De radicale consequentie van de irrationaliteit is daarom ook net zo hard zelfvernietiging. Collectief parasitair gedrag kon alleen de ondergang van de samenleving inhouden. Het is enkel doordat er nog enkele redelijke wezens zijn dat de irrationelen kunnen overleven. Het kwam op mij over als een geradicaliseerde vorm van Verlichtingsoptimisme.
Tegenwoordig komen deze stromingen wat archaïsch over. De grootse morele dilemma's van de wereld hebben niet meer te doen met zelfopoffering en zelfontkenning (zoals in de Scholastiek) of met productie en onderdrukking (zoals in de strijd om het kapitalisme). De strijd om erkenning is een veelzijdige strijd. We zijn in een fase gekomen waarin de eisen voor het individu steeds hoger worden en er steeds meer authenticiteit van ons wordt verwacht. Dat betekent dat iedereen onderscheidend vermogen moet bezitten en dit anders zijn dan anderen wordt zelf tot deugd verheven. Alles moet interessant zijn, levendig, levenslustig. En alles moet zich keren tegen de saaiheid van het bestaan. En wat is de saaiheid eigenlijk? Uiteindelijk toch weer gewoon de afwezigheid van levendigheid, eigenheid, bijzonderheid, eigenlijk alles wat deugdzaam is. Wederom is er dus een centrale bron van alle deugd gevonden. Het kwaad is wederom niet een kracht die zelfstandig deze droom probeert te vernietigen, maar enkel een eilandje wat nog niet door deze deugd is aangeraakt. Eigenlijk verandert de thematiek in de filosofie niet zo heel veel.

woensdag 29 juli 2009

Dilemma in de Flamencobar

Ik ben deze zomer (deels door omstandigheden gedwongen) toch maar weer solo op reis gegaan. Het betekent aan de ene kant dat je meer je eigen plan kunt trekken, maar anderzijds dat je zelf een daadwerkelijke inspanning moet leveren om andere mensen te ontmoeten. Je zit eigenlijk drie weken lang opgescheept met mensen die je nauwelijks kent en waarvan de interesses, levenshouding en normen zodanig afwijken dat een snelle zielsverwantschap onmogelijk is. En dat creëert dilemma´s die voortkomen uit onbegrip. Misschien is dat juist een reden om alleen op reis te gaan: een soort masochisme en veelheid aan confrontaties met jezelf, waar je uiteindelijk wijzer van wordt.
Neem nu bijvoorbeeld de situatie gisteravond. Ik ben momenteel in Sevilla en was samen met een Australiër, een Deen, een Engels meisje en een Frans meisje naar een tapasbar gegaan. We konden het al snel goed met elkaar vinden en er is geen enkele reden om onderhuidse spanning of aversiteit te vermoeden. We ontmoetten daar een local, die ons de weg wees naar een goede Flamencobar. We gaan daar zitten en worden gegrepen door de prachtige ambience. Omdat het concert is, wisselen we nauwelijks meer woorden uit, alleen om te zeggen hoe mooi we het vinden. Ikzelf zei nog net wat minder dan de rest, voornamelijk omdat ik zo gegrepen was door de prachtige sfeer. De local was ergens halverwege al weggegaan, maar de zaal blijft nog goed gevuld. Ik vond het zo mooi dat ik met alle liefde de gehele nacht daar had kunnen blijven zitten.
Dan plotseling (het zal na ongeveer een uur geweest zijn) zie ik dat na een bepaald nummer mijn gehele gezelschap opstaat en aanstalte maakt om weg te gaan. Om de een of de andere reden (wellicht slordigheid?) ben ik niet in de beslissing betrokken, maar men heeft besloten te vertrekken. Aangezien ze zich al naar de deur bewegen, heb ik ongeveer 10 seconden om een passende reactie te verzinnen. Aan de ene kant wil ik mijn nieuw gevonden vrienden niet voor het hoofd stoten (ik kom ze waarschijnlijk de volgende dag nog tegen), aan de andere kant wil ik zelf niets liever dan blijven, desnoods alleen. Ik weet dat ik geen enkel probleem zal hebben de weg terug te vinden.
Ik dacht later hoe mijn beste vrienden dit dilemma opgelost zouden hebben. En ik kan me eigenlijk niet anders voorstellen dat hun reacties totaal verschillend zouden zijn geweest. De één was zonder meer meegegaan met het groepje, ongeacht hoe geweldig hij het in de bar gevonden zou hebben. De ander zou achter het groepje aangegaan zijn om ze over te halen om te blijven (waarna hij zich gemakkelijk neergelegd zou hebben bij de genomen beslissing). Weer een ander was blijven zitten en had het moment dat iedereen wegging direct gereageerd met iets als ´wat zijn we aan het doen? Laten we gewoon hier blijven zitten en kijken.' Een goede vriendin van mij was waarschijnlijk erachteraan gegaan en vooral haar verbazing geuit (waarna ook zij waarschijnlijk mee terug was gegaan). En er is zelfs een enkele vriend van mij die stug was blijven zitten en iets gedacht had als ´ze doen maar´.
Dat waren waarschijnlijk allemaal betere reacties geweest dan wat ik in 10 seconden kon verzinnen. Ik twijfelde de volle 10 seconden en besloot toen toch maar mee terug te gaan vanuit een soort misplaatst gevoel van ´samen uit, samen thuis´. (Dergelijke normen bestaan tussen reizigers niet.) Ik ging gedwee mee en met elke stap die ik terug zette groeide de spijt over mijn beslissing. Maar ik besefte ook dat ik nu niet meer terug kon: de magie van het moment zou verloren zijn.
Alles wat nu nog van de avond rest, zijn een handjevol herinneringen in een Flamencobar in de wijk Triana van de prachtige stad Sevilla.

woensdag 22 juli 2009

Zelfredzaamheid

Het overgrote gedeelte van mijn leven ben ik single geweest, zelfs over de afgelopen paar jaar. En zelfs wanneer ik een relatie had, leek het op de een of de andere manier steevast uit de omstandigheden te volgen dat wij weinig morele steun aan elkaar hadden. Uiteindelijk moest iedereen het voor zichzelf uitvogelen.
Met mijn directe familie ben ik niet heel erg close. Pogingen tot toenadering strandden vaak op wederzijds onbegrip. En zo komt het vaak voor dat het hebben van familie eerder een bron van problemen is dan de oplossing daartoe. Het zijn misschien dezelfde soort familieruzies waar iedereen wel eens mee te maken krijgt. Het is dan wellicht ook meer mijn eigen keuze dat ik ze weinig in mijn zorgen betrek.
De enige groep mensen die wel een steun en toeverlaat voor mij zijn, zijn mijn goede vrienden en die waardeer ik dan ook boven alles. Het is niet gemakkelijk om snel in zo´n vertrouwenspositie te komen (de opbouw van vertrouwen vergt nu eenmaal tijd), maar er eenmaal een vertrouwensband is, ben ik ongelofelijk trouw aan de andere persoon.
Maar er is maar een beperkte hoeveelheid dingen waarmee je je vrienden wilt belasten. Je kunt niet voor elk wissewasje naar ze toerennen en ik zou niet graag vriendschappen onder druk zetten door veeleisend te zijn. Dit alles maakt dat ik het overgrote deel van de uitdagingen des levens alleen moet oplossen. Voor veel van mijn dagelijkse beslommeringen verwacht ik geen steun van anderen. En als ik terugkijk, ben ik zo altijd al geweest. Ik haal trots uit een zekere zelfredzaamheid, ook al betekent het dat ik soms het gevoel krijg dat ik altijd alles alleen heb moeten doen.
Misschien is dit wel de moderne toestand. Mensen zijn zulke complexe wezens geworden dat er maar een beperkte hoeveelheid zaken is waarbij je werkelijk iets hebt aan de hulp van andere mensen. De grote uitdagingen van de wereld zijn iets wat iemand noodzakelijk alleen moet ondergaan.
In Winesburg, Ohio (1919) van Sherwood Anderson staat het verhaal van Alice. Alice woont in het kleine Amerikaanse dorp Winesburg en heeft ondanks het gemoedelijke imago van small town USA niemand om haar persoonlijke beslommeringen mee te delen. (Dat geldt in dat boek voor iedereen trouwens, maar dat is een ander verhaal.) Alice denkt na over haar lot en komt uiteindelijk tot een conclusie. "[She] began trying to force herself to face bravely the fact that many people must live and die alone, even in Winesburg."

zondag 28 juni 2009

Seks - nu met statistisch bewijsmateriaal

In 1948 werd het eerste deel de Kinsey rapporten gepubliceerd. Voor het eerst was er op grote schaal onderzoek gedaan naar seksueel gedrag in een westerse samenleving. Kinsey was een bioloog en met grootse statistische analyses kwantificeerde hij hoe vaak bepaalde seksuele ervaringen voorkwamen.
De resultaten sloegen in als een bom. Veel psychologische theorieën konden bij het grof vuil: het bleek dat vrijwel de gehele bevolking aan wat voor een vorm van seksualiteit deed, dat echte onthouding nauwelijks voorkwam en waar geprobeerd nauwelijks positieve resultaten opleverde. Het liet zien dat maatschappelijke taboes op grote schaal werden genegeerd, zij het stilletjes.
De resultaten van Kinsey waren zo controversieel dat ze lange tijd in de wetenschappelijke wereld genegeerd werden. Maar niet veel later kreeg het werk van Kinsey een kernrol in de seksuele revolutie, en dan vooral in de variant van de medisch-seksuele revolutie. De positie van seks in het medische jargon veranderde totaal: het is niet langer seks zelf dat het probleem werd, maar de afwezigheid van seks (en dan met name de afwezigheid van seks die aan de norm voldoet) dat het probleem geworden is.
Ik ben het boek vorige week tegengekomen in een antiquariaat en lees het nu. Het is razend interessant om vanuit 1948 op een tamelijk objectieve manier naar de seksualiteit toen te kijken. Natuurlijk, Kinsey is een bioloog en probeert veel te relateren aan de lichamelijke functie. Maar links en rechts is hij ook niet van een beetje maatschappijkritiek. Hij haalt uit naar de zedenpolitie (met het argument dat uit onderzoek blijkt dat oude mannetjes zelden seksueel gefrustreerd zijn), naar de psychiatrie (seksuele energie laat zich niet onderdrukken en omvormen tot iets anders) en naar moraalridders.
Het is fascinerend om te lezen. Zo laat hij zien dat zo rond de 35 % van de mannen wel een homoseksuele ervaring in zijn geschiedenis heeft zitten (gezamenlijk masturberen is kwalificerend genoeg). Ik betwijfel of zulke cijfers vandaag de dag gehaald worden. Wie nu iets homoseksueels doet, wordt tegenwoordig mentaal gedwongen zichzelf als homo te zien en dat is een drempel die minder snel wordt genomen. Kinsey lijkt gevoelig voor het argument dat homosekualiteit vaak is ingegeven door gebrek aan alternatieven, maar toch constateert hij dat dit verhaal niet helemaal kan opgaan. Er zijn immers te veel gevallen van mensen die voor homoseksuele ervaringen kiezen, terwijl ze toch voldoende andere opties hadden. De basis voor het idee van een homoseksuele individuele onveranderbare kern lijkt gelegd.
En zo legt Kinsey vele verbanden en ondanks het feit dat veel van zijn werk een grote instrumentele rol heeft gespeeld in het opzetten van het seksuele paradigma waar we nu in leven, toch heb ik sympathie voor hem. Dat komt omdat hij ingaat tegen de status quo van dat moment, sceptisch blijft over zowel de gevestigde orde als de nieuwe theorieën en omdat hij - radicaal als hij is - nog lang niet zo ver gaat als de seksuele revolutie. Hij beschouwt seks als probleem op zich zonder het direct te grondvesten in een diepe menselijke identiteit (dat is meer iets wat de psychoanalisten - impliciet toch zijn grote tegenstander - doen).
Toch nog maar een citaat van hem, over impotentie:
"The ready assumption which is made in some of the medical literature that impotence is the product of sexual excess, is not justified by such data as are now available. Impotence is clearly the product of a great diversity of physical, physiologic, and psychological factor, and in each individual case a multiplicity of factors is likely to be involved.
It will be recalled (Chapter 7) that impotence is in actuality a relatively rare phenomenon*. The clinicals, especially the urologists and endocrinologists, see so many individuals who are badly upset by impotence that they may find it difficult to believe that the incidence is as low as we find it in the population at large; but again it should be pointed out that a clinic is no place from which to get incidence data."

* Noot: 6 tot 12 gevallen op de 4000 waren, afhankelijk van hoe je telt, vaak in combinatie met hoge leeftijd (die overigens betekent dat seksuele activiteit over de gehele linie terugloopt).

woensdag 24 juni 2009

Modeziektes

Ouders constateren de laatste tijd al snel allerlei tekortkomingen aan hun kind, die ze onder de naam van één of andere ziekte plaatsen: 'ADHD', 'Asperger' of 'een storing in het autistische spectrum'. Daarnaast is het ook onverminderd populair dergelijke ziektes bij jezelf te constateren. Door de media worden in dit verband vaak het woord 'modeziektes' gebruikt, omdat de opkomst van deze ziektes deels lijkt ingegeven door plotselinge populariteit van de ziekte bij andere ouders. Je hoort er eigenlijk al een beetje niet meer bij als je niet één van die ziektes hebt.
De term 'modeziektes' miskent echter dat er wel daadwerkelijk iets aan de hand kan zijn. Maar waar iemand vroeger zulke tekortkomingen moest accepteren, want het was nou eenmaal zo, is er nu de mogelijkheid er een etiket op te plakken dat gelijk als verklaring, erkenning en rechtvaardiging en kan dienen.
Nog los van de vraag of er een medische rechtvaardiging van deze diagnoses (die zal er ongetwijfeld zijn, wetenschap is immers niet zo moeilijk, maar de medische rechtvaardiging vind ik niet de interessantste vraag), kunnen we bekijken hoe het bestaan van deze ziektes uitwerkt in individuele gevallen. En dan zien we dat mensen nu plotseling de verantwoordelijkheid voor hun tekortkomingen buiten henzelf kunnen liggen. Het komt door een ziekte, dat is iets externs, iets waar je zelf niets aan kunt doen. Mensen moeten heel veel in onze maatschappij, moeten een eigen individu worden waar ze trots op kunnen zijn. Nu kun je moeilijk trots zijn op je zwaktes, maar als je plotseling de mogelijkheid krijgt deze tekortkomingen buiten jezelf te leggen, dan wordt jouw strijd met deze problemen erkend. Door bepaalde problemen te externaliseren, is het gemakkelijker om jezelf vol zelfvertrouwen als groots, trots en narcistisch individu te zien.
Is dit nu erg? Zelfs al is dit vals zelfvertrouwen (wat mij moeilijk hard te maken lijkt), het is zelfvertrouwen niettemin. Het punt zit hem meer aan de andere kant van de medaille. Ten eerste lost het namelijk niets op: de lat van wat van mensen verwacht wordt, wordt gewoon hoger gelegd. Ten tweede wordt een diagnose niet altijd als erkenning ervaren, maar vaak genoeg als beperking. Mensen kunnen het gevoel hebben dat hen een ziekte wordt opgelegd, die bepaalde tekortkomingen voor hen absoluut maakt, terwijl ze juist in het dagelijkse leven deze tekortkomingen niet ervaren, omdat ze er mee om kunnen gaan of ze kunnen overwinnen. Ten derde ontneemt het mensen de mogelijkheid op een vrije ongedwongen wijze met hun tekortkomingen om te gaan.
Mensen kunnen allerhande stoornissen over zichzelf inroepen, maar uiteindelijk maakt het allemaal weinig uit: ze zullen met dezelfde problemen en dezelfde uitdagen moeten kunnen omgaan. De één ervaart een diagnose als erkenning en profiteert uit de ondersteuning van een ziektebeeld en andere patiënten. De ander ervaart een diagnose als een beperking, een stigma en ergert zich dood aan de lagere verwachtingen die er vanuit zijn omgeving bij mee komen. Hoe dan ook, het zou geen verschil moeten mogen maken: uiteindelijk zou iedereen aan dezelfde standaarden gehouden moeten worden. Wie studeert, solliciteert of anderzins moet presteren, hoort geen speciale behandeling te krijgen omdat hij een ziekte als buzzword kan noemen, hij moet uiteindelijk zich gewoon bewijzen net als ieder ander. Maar misschien kan links en rechts een ziekte nog als retorisch trucje gebruikt worden om juist wel een speciale behandeling af te dwingen. En voor een schoon stukje toegepaste retorica, daar heb ik bijna altijd respect voor.

zondag 21 juni 2009

Liefde, lust, vriendschap en verliefdheid

Ik ben nooit echt een ster geweest in het herkennen van verliefdheid, maar als ik terug kijk, kan ik wel duidelijk uitmaken wanneer ik ongeveer verliefd zou moeten zijn geweest. Toch kan ik niet makkelijk aangeven hoe verliefdheid verschilt van andere gevoelens, zoals liefde, lust en vriendschap.
Ten eerste is het duidelijk dat al deze gevoelens een algeheel gevoel van gelukzaligheid kunnen oproepen. Dat gevoel kan verschillen in duur, maar dat maakt niet zo heel veel uit. Ook als je verliefd bent, denk je soms wel aan wat anders en vergeet je dus impliciet je eigen verliefdheid.
Nu is het zeker zo dat als je verliefd bent, je de neiging hebt erg fysiek op de andere persoon te reageren. Maar dat is niet uniek aan verliefdheid. Ook in sterke vriendschap kan ik na lange afwezigheid naar de fysieke aanwezigheid van mijn vrienden verlangen. Telefonisch contact is dan niet meer afdoende. En wat betreft lichamelijke opwinding, dat is meer iets voor lust. Ik merk aan mezelf dat als ik verliefd ben, het juist niet zo heel veel met lichamelijke opwinding te maken heeft. Uit een soort respect vermijd ik dan juist de goedkope lichamelijke lust.
Verliefdheid zorgt er ook voor dat je op een bepaalde manier minder kritisch wordt. Als ik verliefd ben, ben ik doorgaans nog prima in staat om mogelijke tekortkomingen in de ander te zien. Het is meer dat ik die tekortkomingen direct weer vergeef. Maar bij mijn vrienden is dat niet zo heel erg anders. Ook daar kan ik wel kanten zien die mensen mogelijk als 'flaws' kunnen zien, maar ik ervaar ze niet zo en ik zou mijn vrienden er nooit om afvallen.
Verliefdheid lijkt wat dat betreft nog het meest op vriendschap: liefde is een te vage en algemene term om mee te vergelijken, lust is anders dan verliefdheid niet een gevoel dat richting een specifieke andere persoon is gericht. En als ik verliefdheid en vriendschap naast elkaar zet, vallen drie belangrijke verschillen op:
- Vriendschap begint over het algemeen zwak en bouwt zich langzaam op. Vriendschap is duurzaam en gaat daarna niet zo makkelijk stuk. Verliefdheid groeit snel uit tot een ecstatisch gevoel, zonder solide basis en kan daarna gemakkelijker wegzakken.
- Verliefdheid is, in tegenstelling tot vriendschap, vaak onverzadigbaar. Zelfs als je de ander nog maar net en uitgebreid hebt gezien, kan de behoefte bestaan om haar weer te zien.
- Ook al is vriendschap in eerste instantie een gevoel, het heeft een soort rationele basis. Zelfs (of juist) als je er uitgebreid over nadenkt, kom je tot de conclusie dat je vrienden over het algemeen geweldige personen waarbij je trots op je vriendschap bent. Maar ook al is verliefdheid gebaseerd op een soort genegenheid (en dus respect), toch hoeft verliefdheid met redelijkheid niet zo veel te maken hebben.
Pragmatist als ik ben, zijn deze verschillen niet zo zwart-wit, maar glijdende schalen. Uiteindelijk is verliefdheid immers ook niet veel meer dan een woord.